Meteen naar de content
Login
Besteed nog €50 voor GRATIS verzending.
GRATIS verzending wordt toegepast bij het afrekenen

Je winkelwagen is leeg

Verder winkelen
0winkelwagen(€0,00)

Welke zekering bij buitenverlichting kiezen?

Een lamp van 8 watt vraagt weinig stroom, maar daarmee is de vraag welke zekering bij buitenverlichting nodig is nog niet beantwoord. De beveiliging beschermt namelijk niet de lamp, maar de volledige groep en de kabel die naar buiten loopt. Wie alleen naar het wattage van de armaturen kijkt, kan een veilige installatie verkeerd inschatten.

Voor de meeste woningen komt buitenverlichting op een bestaande lichtgroep of een aparte eindgroep. Vaak ziet u daarbij een installatieautomaat van 16 A en een aardlekschakelaar van 30 mA. Dat is geen standaardrecept dat u blind kunt overnemen. De juiste keuze hangt af van de kabeldoorsnede, de aanlegwijze, de lengte van het traject, de overige verbruikers op de groep en de conditie van de bestaande installatie.

Welke zekering bij buitenverlichting: begin bij de groep

In de volksmond heet alles in de meterkast een zekering. In moderne groepenkasten gaat het meestal om een installatieautomaat, bijvoorbeeld een B16-automaat. Bij oudere installaties kunnen nog smeltzekeringen aanwezig zijn. Het getal 16 A geeft aan hoeveel stroom de beveiliging maximaal doorlaat voordat deze bij overbelasting uitschakelt.

Een buitenlamp met ledverlichting gebruikt meestal slechts enkele watts. Zelfs tien armaturen van 10 watt gebruiken samen 100 watt. Bij 230 volt is dat nog geen halve ampère. Het lage lampvermogen betekent echter niet dat er zomaar een zwaardere zekering mag worden geplaatst. De kabel is de begrenzende factor. Wordt die te zwaar belast, dan kan hij warm worden voordat de beveiliging ingrijpt.

Kijk daarom eerst waarop de buitenverlichting wordt aangesloten. Deelt de verlichting een groep met binnenverlichting, stopcontacten of apparatuur in de schuur? Tel dan ook die belasting mee. Is er een aparte kabel naar de tuin, garage of overkapping aangelegd? Dan moet juist die kabel passend zijn beveiligd.

Meestal B16, maar niet zonder controle

Een B16-automaat is in Nederlandse woningen veelvoorkomend voor licht- en wandcontactdoosgroepen. De B-karakteristiek is geschikt voor normale huishoudelijke belasting. Bij ledarmaturen kan bij het inschakelen kort een hogere piekstroom ontstaan, vooral wanneer veel armaturen tegelijk op één schakelaar worden gezet. In een normale tuininstallatie is dat zelden een probleem, maar bij tientallen drivers of armaturen kan het wel tot ongewenst uitschakelen leiden.

De oplossing is niet automatisch een C16-automaat plaatsen. Een C-automaat verdraagt een hogere inschakelpiek, maar stelt ook andere eisen aan de installatie en aan de foutstroom die beschikbaar is bij kortsluiting. Zonder meting en beoordeling van de installatie is die keuze niet verantwoord.

Ook een automaat van 10 A kan de juiste keuze zijn, bijvoorbeeld als de kabel, aanlegwijze of een bestaande groep daarom vraagt. Een kleinere beveiliging is elektrisch gezien geen nadeel voor ledverlichting. Uw lampen blijven gewoon werken, zolang de totale belasting onder de groepswaarde blijft. Bij twijfel is een 10 A-beveiliging veiliger dan een 16 A-automaat op een kabel die daar niet voor geschikt is, maar laat de definitieve keuze altijd toetsen door een vakbekwaam installateur.

Kabeldoorsnede bepaalt de maximale beveiliging

In een vaste installatie wordt vaak 1,5 mm² of 2,5 mm² koperen installatiekabel toegepast. Welke automaat daarbij past, hangt niet alleen van die doorsnede af. Een kabel die vrij kan koelen, mag anders worden belast dan een kabel in isolatie, een volle buis of een bundel met andere kabels. Ook de lengte speelt mee: een lange kabel geeft spanningsverlies en kan bij een fout een ongunstige uitschakeltijd veroorzaken.

Gebruik buiten nooit zomaar een los snoer als permanente grondkabel. Voor een ondergrondse verbinding is een geschikte grondkabel nodig, zoals YMvK-as, en horen verbindingen, aftakkingen en doorvoeren geschikt te zijn voor de plaatsing. Bij bovengrondse montage moet de kabel worden beschermd tegen zon, vocht, stoten en scherpe randen.

Een praktische vuistregel: vergroot nooit de waarde van een bestaande zekering of automaat omdat deze eruit gaat. Zoek eerst de oorzaak. Een te zware belasting, vocht in een armatuur, een beschadigde kabel of een verkeerde aansluiting lost u niet op met een zwaardere beveiliging.

Aardlekschakelaar is buiten onmisbaar

Buitenverlichting staat bloot aan regen, condens, grondvocht en temperatuurschommelingen. Daarom is aardlekbeveiliging minstens zo relevant als de groepszekering. Een aardlekschakelaar van 30 mA schakelt af wanneer er stroom weglekt, bijvoorbeeld door een defect armatuur, beschadigde isolatie of vocht in een lasdoos.

In nieuwe of aangepaste installaties moet buitenwerk volgens de geldende installatieregels worden uitgevoerd. Dat betekent onder meer dat de juiste aardlekbeveiliging, aarding en uitschakelvoorwaarden aanwezig moeten zijn. Vooral bij metalen armaturen, metalen palen en stopcontacten in de tuin is een correcte beschermingsaarde essentieel.

Een aardlekautomaat combineert een installatieautomaat en aardlekbeveiliging in één module. Dat kan praktisch zijn voor een aparte tuin- of buitenlichtgroep. Bij een aardlekstoring valt dan alleen die groep uit en blijft de rest van de woning in bedrijf. Of hiervoor ruimte is in de groepenkast en welk type nodig is, hangt af van de installatie.

Let op het verschil tussen een automaat die afschakelt bij overbelasting of kortsluiting en een aardlekschakelaar die reageert op lekstroom. Een aardlekschakelaar vervangt de groepsbeveiliging niet, en andersom ook niet.

Reken het vermogen uit, maar houd het in perspectief

Wilt u controleren hoeveel stroom uw verlichting gebruikt? Deel het totale vermogen in watt door 230 volt. Bij twaalf tuinspots van 7 watt is de berekening: 12 × 7 = 84 watt. Vervolgens is 84 ÷ 230 ongeveer 0,37 A. Voor de belasting van een 10 A- of 16 A-groep stelt dat weinig voor.

De berekening wordt relevanter als dezelfde groep ook een buitenstopcontact, vijverpomp, terrasverwarmer, elektrische grasmaaier of acculader voedt. Een pomp of lader kan urenlang draaien, terwijl een terrasverwarmer de groep snel zwaar belast. Buitenverlichting is dan niet de grootste gebruiker, maar wel onderdeel van de totale belasting.

Houd ook rekening met transformatoren en drivers. Laagspanningsverlichting van 12 of 24 volt heeft aan de 230V-zijde een voeding nodig. Kies een voeding die geschikt is voor buitengebruik als deze buiten wordt gemonteerd, met voldoende vermogen en een passende IP-beschermingsgraad. De zekering in de groepenkast beschermt de voedingskabel, niet automatisch de laagspanningsbekabeling achter de driver.

Zo controleert u uw bestaande buitenlichtgroep

Schakel altijd spanningsloos voordat u een armatuur, lasdoos of schakelaar opent. Controleer vervolgens met geschikt meetgereedschap of de spanning werkelijk weg is. Alleen de schakelaar uitzetten is onvoldoende: die kan verkeerd zijn aangesloten of slechts de schakeldraad onderbreken.

Controleer daarna de aanduiding van de groep in de meterkast, bijvoorbeeld B16 of 10 A. Bekijk welke ruimten en aansluitpunten op die groep zitten. Ga vervolgens na of er een aardlekschakelaar of aardlekautomaat aanwezig is en of deze met de testknop werkt. Testen met de knop bevestigt de mechanische werking, maar zegt niet alles over de staat van kabels en aansluitingen.

Kijk buiten gericht naar beschadigingen. Veel voorkomende oorzaken van storingen zijn water in een niet-afgedichte lasdoos, broze kabelmantels, wartels die niet goed vastzitten en armaturen zonder geschikte IP-waarde. Voor plekken die rechtstreeks regen vangen, is een hogere IP-bescherming nodig dan onder een droge overkapping. Monteer verbindingen niet los in de grond en gebruik geen kroonsteentjes in een vochtige doos.

Wanneer schakelt u een elektricien in?

Een lamp vervangen of een bestaand armatuur één op één vervangen is vaak overzichtelijk, mits de bedrading en aarding in orde zijn. Een nieuwe kabel naar de tuin trekken, een groep uitbreiden, een extra automaat plaatsen of een groepenkast aanpassen is ander werk. Daarbij moeten kabelberekeningen, beveiliging, aardlekvoorziening en metingen kloppen.

Schakel ook hulp in als een automaat of aardlekschakelaar herhaaldelijk uitvalt. Zet een storing niet weg als een lastige lamp. Herhaald uitvallen wijst vaak op vocht, isolatieschade of een fout in de aansluiting. Zeker buiten kan een klein gebrek door weersinvloeden snel groter worden.

Voor een nette buiteninstallatie kiest u dus niet de zwaarste zekering, maar een beveiliging die past bij de kabel en de groep. Met degelijk schakelmateriaal, geschikte buitenkabel en goed afgedichte aansluitmaterialen legt u een basis waar uw tuinverlichting jarenlang op kan vertrouwen.